Een betrouwbare werkwijze is om snijpunten eerst in de grafiek te herkennen en ze daarna algebraïsch te berekenen.
1. Snijpunten met de x-as
Op de x-as geldt \(y=0\). Los daarom \(f(x)=0\) op. Bijvoorbeeld:
\[x^2-4x+3=0\quad\Longrightarrow\quad x=1,3.\]
De snijpunten zijn \((1,0)\) en \((3,0)\).
2. Snijpunt met de y-as
Vul \(x=0\) in. Voor \(f(x)=x^2-4x+3\) is \(f(0)=3\), dus het punt is \((0,3)\).
3. Snijpunten van twee grafieken
Los voor \(y=f(x)\) en \(y=g(x)\) de vergelijking \(f(x)=g(x)\) op. Vul de gevonden x-waarden in een van de functies in om de y-waarden te berekenen.
4. Controleer een numerieke oplossing
- Zoom in rond het geschatte punt.
- Grafieken kunnen elkaar raken zonder van kant te wisselen.
- Beschouw een van pixels afgelezen coördinaat niet automatisch als exact.
- Vul een benadering in beide functies in en controleer het verschil.
Teken beide functies in de grafische rekenmachine en bestudeer daarna transformaties van functiegrafieken.